Als er één gemeente zich dé fietsstad van Nederland mag noemen dan is dat wel Deventer. Niet vanwege al die nog vaak losliggende stoeptegels die de naam fietspad niet waardig zijn. Of vanwege de nog steeds niet afgelopen komische film rond de loop van het fietspad voor theater Mimik aan de IJssel. Nee, vooral historisch zoals in wel meer zaken, mag Deventer zich de fietsbakermat noemen. De Eerste Nederlandsche Rijwielfabriek van Henricus Burgers begon al rond 1870 de eerste vélocipèdes te maken.

Eerst van hout en later van metaal. En natuurlijk werd de eerste Nederlandse fietsclub opgericht in Deventer: Immer Weiter in 1871. In het begin, zoals met veel sporten in die tijd, slechts voor de happy few. Die tijd is wel definitief voorbij. Vorig jaar werden er in Nederland weer meer dan één miljoen fietsen verkocht. Waarvan bijna de helft elektrisch. We zijn niet alleen een rijk land, maar ook nog een stel luie donders. Waar we eerst op de fietspaden de bejaarde elektrische fietsers voor rot scholden bij weer een verkeerde beweging, is er nu geen beginnen meer aan. De elektrische fiets heeft in no time zijn imago aangepast. Van bejaard naar hip en trendy. Zelfs de schooljeugd heeft de smaak te pakken.

En die zijn nog gevaarlijker dan hun grootouders. Maar weer een miljoen erbij verbaast toch nog steeds. We hebben gemiddeld 1,4 fiets per Nederlander en er worden er voor de export wel eens wat gestolen. Maar dan nog. Het zijn er wel heel veel. Het virus-fietsen heeft hier ook zijn bijdrage aan geleverd. We moeten bewegen om gezond te blijven. Te overleven. Bovendien is het goed voor het milieu. En dat kan wel wat steun gebruiken. Niet alleen via een rood potlood. We moeten samen aan de bak. Dus blijf fietsen en minder autorijden. Zodat u straks uw kleinkind niet alleen nog maar kunt bewonderen op een waterfiets.