Eigenlijk begint het al op de basisschool. Die heerlijke mix van jongens en meisjes die soms wel maar meestal niet precies weten wat ze later willen worden. Of gaan presteren of weet jij veel. Natuurlijk zijn er bij die zeker weten dat ze brandweerman, politieagent of dierenarts zullen worden. Het gros echter lummelt zich het liefst van groep 1 naar groep 8. Maar dan hadden de kinderen, zoals wel vaker, buiten hun ouders gerekend. Die hebben namelijk meestal een heel ander beeld van hun eigen kind. Dat bouwt zich op tijdens de reguliere anderhalve minuut-gesprekjes met de docent en eindigt in de apotheose van de schoolkeuze na de basisschool.

Lang verhaal kort: mijn kind kan zoveel beter dan hij of zij laat zien. Een toets is ook maar een momentopname. Het creëren dus door de ouders van hun eigen teleurgestelde verwachting. Het fenomeen dat ook in de sportwereld ruim voor handen is. De ouders heten nu coaches of media die graag het vuurtje opstoken. Met de Olympische Spelen als het ultieme platform. En ook daar lopen veel teleurgestelde verwachtingen. In Nederland zijn we daar behoorlijk goed in. Als een sporter een paar keer piekt, een keer kampioen wordt of een beste wereldseizoentijd neerzet, zien wij daar graag een topper in die op de OS wel even goud kan pakken. De medaillespiegel, waar geen sportjournalist eerlijk in durft te kijken, is al ingevuld voordat er één onderdeel is gestart. En het kind, de sporter, die zijn uiterste best doet en naar vermogen acteert, wordt meegesleurd naar de afgrond vol teleurstellingen.

Om na afloop tegen de pers niet gewoon te zeggen ‘het was mijn dag niet’ maar te vervallen in excuses die de teleurstelling alleen maar versterken. Over het weer, het materiaal, de communicatie en wat al niet. En stiekem verlangen ze op dat moment erg terug naar hun fijne basisschooltijd op het lieflijke Papendal.