Volksverhuizingen werden ze vroeger wel genoemd. Wanneer grote groepen mensen gedwongen op weg gingen naar een andere plek om te wonen. Meestal opgejaagd door een groot leger van een of andere dictator. Die niet keek op een slachtoffer meer of minder. Dat ligt ver achter ons en zeker na alle oorlogen zijn we ons gaan settelen. We gingen ons ergens thuis voelen. Het tuinpad van mijn vader, dat werk. Daar werden we ook heel fanatiek in.

Zelfs op schaal Nederland hechtten mensen zich aan hun provincie, hun dorp of stad en zelfs hun dialect. Maar de wereld werd groter en kleiner tegelijk: the global village. Ook het werk werd minder plaats- of streekgebonden. Het mixte meer. Toch reden we na het werk nog wel steeds vele kilometers met trein of auto terug naar ons eigen stekkie. Daarbij is de laatste virustijd een opmerkelijk verschijnsel ontstaan. Werken en wonen is in een soort blender gekomen. We zijn, veel thuiswerkend, zaken gaan waarderen die vroeger minder belangrijk leken. De stedeling begint de natuur meer te waarderen. En vooral de nabijheid daarvan. En dan is het in ons land niet altijd eerlijk verdeeld, weten we. In Salland is het opsnuiven van frisse lucht met een vleugje mest doodnormaal. Het bos in? Geen probleem. Laten ze dat in de Randstad nu ook steeds meer gaan waarderen.

En daarbij niet terugschrikken om naar plaatsen te verhuizen die ze voorheen op de landkaart niet eens aan konden wijzen. De lokale woningzoeker weet er alles van. Wanneer de makelaar zegt dat er ook ‘mensen uit het westen’ belangstelling hebben, is het eigenlijk al gebeurd. Staat een paar week later de kinderbakfiets al voor de deur. Aan de stamtafel gaat het al over volksverhuizingen naar het oosten. Een Dèmter inburgeringscursus is in de maak. Wordt het helemaal te gek dan kan er altijd nog een gemeentelijke noodverordening komen tegen Randstedelijke huizenhooligans.