De tijdlijn in ons leven is wat in de war geraakt. Tot voor kort was onze agenda dagelijks gevuld. We moesten speuren naar een vrij gaatje. Nu kijken we maanden vooruit. Zijn al hoopvol als er iets per juli of september door kan gaan. We kijken naar een Eurovisiesongfestival dat er niet is. Geen Kermis, geen Stelten, geen Boeken. We willen allemaal fast forward. Maar het is pas mei. En intussen worden ze in de horeca helemaal gek.

Het kan niet snel genoeg 1 juni zijn. Na het poetsen, schuren, verven, passen en meten, willen ze nu aan de spoelbak. Met u en mij als gasten die het liefst allemaal tegelijk een anderhalve-meter bier bestellen. Ook in Deventer en vooral op de Brink staan de tafeltjes en stoeltjes te springen van ongeduld. Ze willen in de volle lengte en breedte de klinkers van het plein gaan bezetten. Maar dan hadden ze buiten de kraampjes van de vrijdag- en zaterdagmarkt gerekend.

Die konden niet ineens virusproof naar elkaar toe schuiven. En zo leek Deventer de laatste weken even op het kleine dorp van Asterix en Obelix. Er werd nog net niet met rotte vis gesmeten naar de kroegen, maar een ruzie was er wel. Eigenlijk was de vraag: wie heeft in de Hanzestad het oudste recht op een plek op de Brink? De Jaarmarkten gaan ver terug, maar ook toen dronk iedereen natuurlijk al bier. Heel veel zelfs, als je leven je lief was.

De Brink, zoals in het Engelse woord ‘brink’, lag in de begintijd aan de rand van de stad. Het was zoals overal in het land de plek waar het vee werd verzameld om daarna buiten de stad te gaan grazen. Dus als we het al over een eerstgeboorterecht hebben voor de Brink dan ligt dat bij waar elk dorp zo goed in is. Bij de koetjes en kalfjes.